Wijk bij Duurstede, 18 februari 2021. “Zonneparken en windmolens? Samen vinden we de beste plekken.” Deze slogan wordt gebruikt door de gemeenten in de Kromme Rijnstreek die samenwerken in het kader van de Regionale Energie Strategie (RES).

Laat ik vooropstellen dat ik de ambities om te komen tot een beter milieu volledig onderschrijf. Datzelfde geldt voor de stelling dat de energietransitie hieraan een belangrijke bijdrage kan leveren.

Wat ik echter betreur, is het gebrek aan creativiteit als het gaat om de wijze waarop we dat willen realiseren. Bovendien worden de voorgestelde oplossingen veelal mooier voorgespiegeld dan dat ze in werkelijkheid zijn.

Een fraai voorbeeld zijn de biomassa centrales.

Het is de bedoeling dat Wijk bij Duurstede ook een bio-vergister krijgt. In theorie klinkt het allemaal heel mooi: immers, mest en ander organisch afval wordt omgezet in schone energie. Uit een rapport van de Vereniging Natuur en Milieu (VNM) valt te lezen dat het hier gaat om ca. 6,8 mln m3, hetgeen voorziet in de behoefte van ca. 4.500 huishoudens.

Echter, om dat gas te maken, is ook veel stroom nodig: volgens VNM 500,000 KWh per jaar. Dit komt overeen met het gemiddeld verbruik van 1.430 huishoudens. Daarnaast ‘verstookt’ de bio-vergister ook nog eens 100.000 m3 aardgas; het equivalent van het jaarverbruik van 67 huishoudens. Tenslotte vereist de het productieproces dat er 2.500 ton houtige biomassa wordt verbrand. Op papier zou dit vooral bestaan uit snoei- en afvalhout maar in de praktijk wordt vaak gebruik gemaakt van pellets; zeg maar versnipperde bomen.

Die 2.500 ton biomassa laat zich – volgens datzelfde rapport van VNW – vertalen in 17 hectare bos per jaar. Om dat in perspectief te zetten: dat zijn ongeveer 25 voetbalvelden. De energetische waarde van al dat hout is ca 13,2 mln KWh ofwel genoeg om het jaarlijkse elektriciteitsverbruik van 3.775 huishoudens te dekken.

Als de berekeningen van VNW kloppen, dan betekent dit dat het productieproces zoveel energie kost als het stroomverbruik van ca 5.200 huishoudens, om er uiteindelijk ‘groen’ gas voor 4.500 huishoudens voor terug te krijgen. En dat terwijl we van het gas af moeten……

Wat bovendien nog meespeelt, is – dat met een capaciteit van 90.000 ton per jaar – de ‘honger’ van deze centrale alleen kan worden gestild door de aanvoer van biomassa van buiten de regio. Dit betekent dat de tientallen vrachtwagens 7 dagen per week vanuit Brabant en andere regio’s in het land de biomassa over de N229 gaan aanvoeren. En dat voor een project dat ooit is begonnen om de lokale boeren een handje te helpen…..

En dan heb ik het nog niet eens over de uitstoot van CO2, stikstof, fijnstof, de eventuele stankoverlast en die van het afvalwater. Enfin, u kunt het allemaal nalezen in het rapport van VNW.

Ik vraag me af wat iemand tot zo een project heeft kunnen doen besluiten. Of is het soms die subsidie van 52 miljoen euro die hiervoor is uitgetrokken?

Genoeg over de biovergister.

Op dit moment is ook nog eens veel te doen om de plaatsing van windmolens en zonneparken op het land. Zo ook in onze regio.

Recentelijk konden de inwoners van de Kromme Rijn gemeenten meedoen aan een enquête. Dit allemaal in het kader van ‘het winnen aan draagvlak’. Echter, indien de vragen van de enquête goed worden bekeken, zijn die deze op zijn minst nogal sturend. Er wordt niet gevraagd OF er zonneparken en windmolens moeten komen, maar hooguit waar die zouden moeten komen en waarmee dan rekening zou moeten worden gehouden. In de bijlage van het rapport met de uitkomsten van de enquête staan de reacties van de een aantal deelnemers. Die zijn veelzeggend. En dus zullen die molens er wel komen; ‘we’ hebben dat namelijk afgesproken. De klimaatambities, weet u wel?

Die klimaatambities zijn vastgelegd in het Parijse Klimaatakkoord, de Green Deal van de Europese Commissie en de fameuze klimaattafels van oud-minister Wiebes. Onze regering heeft zich gecommitteerd aan deze doelstellingen en gooit vervolgens het probleem over de schutting naar de lagere overheden (provincies en gemeenten). Zij mogen het dan gaan vertalen in oplossingen. Oplossingen die heel sterk gericht zijn op maatregelen op lokaal of regionaal niveau en allemaal relatief kleinschalig.

Eenieder die wel eens een economieboek heeft gelezen, zal begrijpen dat over het algemeen activiteiten met een hoge kapitaalintensiviteit het best kunnen worden ingezet op basis van een minimum schaalgrootte. Dat leidt immers tot inkoopvoordelen, een betere dekking van de overheadkosten, relatief lagere operationele kosten, etc.

De plannen waaraan nu binnen de RES wordt gewerkt (energiewinning op lokaal niveau) zijn verre van efficiënt. En dat betreft meer dan de kosten van de zonnepanelen en windmolens alleen. Wat te denken van al die dure adviseurs en bureaus die voor elke regio rapporten mogen schrijven, de vele uren van de overheidsbestuurders en -ambtenaren, de kosten van communicatie en voorlichting (bijv. websites en brochures) en - niet in de laatste plaats - de juridische procedures die veelal moeten worden gevoerd om de plannen toch te kunnen verwezenlijken? En allemaal om ‘draagvlak’ te kweken. De uitkomst staat in de meeste gevallen al vast: die zonnevelden en windmolens moeten er komen.

Waarom doen we dit op deze manier? Wordt er überhaupt nog wel eens stilgestaan bij wat we hier allemaal aan het doen zijn? Kan het niet een stuk eenvoudiger? Kan het niet anders?

Misschien toch wel. Naast over de muur gooien, bestaat er namelijk ook nog zoiets als over de muur kijken. Of in dit geval: over de grens kijken.

Op 5 februari j.l. heeft Denemarken besloten tot de aanleg van een eerste Powerhub; een kunstmatig eiland midden op zee. Hierop komen allerlei voorzieningen voor het opwekken en opslaan van duurzame energie. De eerste fase bestaat uit een opwekcapaciteit van 3 Gigawatt aan groene stroom; volgens de Denen voldoende voor circa 3 miljoen huishoudens. In de jaren daarna zullen meer van dergelijke projecten volgen. In totaal wil Denemarken 10-13 Gigawatt aan groene elektriciteit opwekken, goed voor ongeveer 10-13 miljoen huishoudens.

Aangezien Denemarken slechts 2,7 miljoen huishoudens telt en bovendien al in een hoge mate (bijna 50% van het totaalverbruik) voorziet in haar eigen groene stroom, zijn de investeringen in de Powerhubs dus met name gericht op de export van groene energie.

Zoals op het plaatje hieronder staat aangegeven (bron: Het Financieele Dagblad 17-10-2020), wordt zo’n Powerhub aangelegd op een locatie waar echt niemand er last van heeft: ver weg van de bewoonde wereld. Bovendien waait het meer op zee dan op land.

powerhub eiland

Maar daar houden de voordelen niet mee op. Er zit namelijk een lange termijnvisie achter.

In een artikel in Trouw (“Groene Kennis is voor Denemarken Goud”, d.d. 2-1-2021), valt te lezen dat milieugoederen (energie) en -diensten in 2016 (ik kon helaas even niet zo snel meer recente cijfers vinden) voor ongeveer EUR 29 miljard bijdroegen aan de Deense economie en goed waren voor 15% van de totale Deense export. Volgens datzelfde artikel werd in het afgelopen decennium gemiddeld EUR 1,1 miljard per jaar aan subsidies vertrekt door de Deense regering. Het is duidelijk dat dit resulteert in een nogal fors batig saldo. Bovendien, levert de sector werk aan 71.000 Denen, ofwel ca. 3% van de Deense beroepsbevolking. Dan hebben we het nog niet eens over de milieuwinst, want die is – zoals Mastercard dat zo mooi uitdrukt in haar reclames – onbetaalbaar.

Goed, van de wijdse (internationale) blik terug naar Wijk bij Duurstede. Gelet op de veelal felle reacties op initiatieven tot voor in te richten zonneparken (bijv. Groenewoudseweg) en te plaatsen windmolens (Goyerbrug en Langbroek) rijst de vraag of er alternatieven te bedenken zijn waarop Wijk bij Duurstede en haar partnergemeenten hun bijdrage aan de energietransitie zouden kunnen leveren?

Zo maar een ‘gek’ idee: waarom kunnen we niet eens met de Denen bellen voor een leveringscontract of – als we dan toch zo nodig willen investeren – om een stukje participeren in zo’n Powerhub project. Dan lift je mee op de kennis en ervaring van de Denen. Bovendien is er de benodigde schaalgrootte en heeft niemand er last van. En, het eiland wordt ook nog eens verbonden met het interntionale netwerk; datzelfde network waarmee we ook stroom uit Noorwegen halen. De cijfers uit het verleden tonen aan dat zo’n initiatief op alle fronten beter is dan waar we hier mee bezig zijn binnen de RES.

Tenslotte nog dit: de Green Deal van Eurocommissaris Timmermans zet de lijnen uit voor de gehele EU. Binnen de EU heeft Denemarken er zelf voor gekozen om een exporteur te worden van groene energie. En op een hele doordachte en goed uitgewerkte manier. In tegenstelling tot de olie, dat we momenteel vooral vanuit een politiek instabiel Midden Oosten halen en waar de mensenrechten veelal niet zo nauw worden genomen, is Denemarken tevens een stabiele en bevriende natie. Tenslotte zijn we ook nog eens lid van dezelfde familie: de EU. Is het dan nog echt nodig de schaarse ruimte in ons land te gebruiken voor het plaatsen van windmolens en zonneparken die alleen kunnen bestaan dankzij forse subsidies?

Graag zou ik het gemeentebestuur dus hierbij willen oproepen om eens ‘out of the box’ te denken, moed te tonen en desnoods de dwingelandij van de RES af te schudden. Immers, als ‘Den Haag’ vindt dat zij haar problemen bij de gemeenten kan neerleggen, dan zou je als gemeente toch zeker wel voor een eigen oplossing moeten kunnen kiezen? En helemaal als deze ook nog eens beter is.

Voor wat betreft de huidige plannen zou ik zeggen: RIP, wat in dit geval staat voor ‘RES(t) in Peace’.

Kortom, om aan te sluiten bij de slogan van de RES van de Kromme Rijn gemeenten: “Zonneparken en windmolens? De beste plek is al gevonden….. op een kunstmatig eiland bij Denemarken!”

Met vriendelijke groet, Henk Slotboom

Gratis nieuwsbrief

Aanmelden of afmelden

De nieuwsbrief wordt dagelijks na 18.00 uur gemaild.
captcha